VOORGESCHIEDENIS
Dove mensen waren – voordat Handtheater werd opgericht - al actief
op het gebied van de podiumkunsten. Vooral verhalen vertellen heeft
een sterke traditie binnen de dovengemeenschap.
In verenigingsverband werd veel toneel gespeeld, op amateurniveau,
omdat doven geen theateropleiding konden volgen. In 1898 speelde de
Amsterdamse dovenvereniging Guyot het toneelstuk Stoel en Spree in
de schouwburg voor een uitverkochte zaal. Het stuk kreeg een goede
recensie in het Volksdagblad. Andere voorstellingen volgden in het
Paleis van Volksvlijt. Omdat de vereniging veel joodse leden kende,
van wie velen de Tweede Wereldoorlog niet overleefden, was het met
het bloeiende bestaan van de vereniging gedaan.
Na de oorlog regisseerde de dove theatermaker Frans Ackema diverse
toneelstukken van de toneelclub Kunst in Onze Stilte. Frans Ackema
was ook mimespeler en had in die hoedanigheid contact met de
beroemde Franse mimespeler Marcel Marceau.
Eind jaren zeventig begonnen Wim Emmerik en Jean Couprie in het
openbaar op te treden voor een gemengd publiek. Zij beperkten zich
tot mime, omdat de Nederlandse Gebarentaal in die tijd niet werd
erkend als een volwaardige taal. Meer en meer deed zich onder doven
de behoefte gevoelen om theater te brengen in hun eigen taal. Een
eerste stap in die richting was de oprichting van de Stichting
Visueel Theater (SVT) in 1979, waarbij Jean Couprie en Wim Emmerik
nauw betrokken waren. Onder deze stichting vonden diverse
activiteiten plaats, behalve voorstellingen, ook een aantal
videotheaterproducties in samenwerking met het Werkteater.
Uiteindelijk werd de stichting opgeheven. De tijd was blijkbaar nog
niet rijp voor theater in Nederlandse Gebarentaal. Dat maakte het
moeilijk voor de dove acteurs om zich staande te houden. De
dovengemeenschap had zich nog onvoldoende geprofileerd. En er was
geen structurele subsidie.
In 1981 werkte Jean Couprie mee aan de totstandkoming van het
toneelstuk Kinderen van een Mindere God, met Willem Nijholt en Rick Nicolet in de hoofdrollen. Dat was voor veel dove mensen de eerste
keer dat ze in een regulier theater een voorstelling konden zien in
hun eigen taal en voor veel horende mensen de eerste keer dat zij
kennis konden maken met de taal en cultuur van doven.
In het buitenland, vooral in de Verenigde Staten is al langer een
aanbod van theater in gebarentaal. Zo geeft het National Theatre of
the Deaf sinds 1967 voorstellingen in Amerikaanse Gebarentaal voor
een doof en horend publiek. Het National Theatre of the Deaf is
verschillende keren in Europa opgetreden, ook in de Rotterdamse
Doelen en de Amsterdamse Stadsschouwburg. Optredens die veel
aandacht trokken van de pers en unaniem geroemd werden vanwege hun
visuele kracht. Deze voorstellingen trokken ook veel horende mensen
aan die tot dan toe nooit met de dovencultuur in aanraking waren
gekomen.
Het National Theatre of the Deaf heeft in al die jaren ook een grote
ervaring opgebouwd met het gebruik van tolken die op allerlei
manieren bij het spel worden betrokken.
In de Verenigde Staten zijn al jaren opleidingen voor dove acteurs,
met name verzorgd door het National Theatre of the Deaf. Ook
Gallaudet University, de enige universiteit voor doven ter wereld,
kent een theateropleiding.
In Nederland ontstond in 1983 de mogelijkheid voor doven om een
opleiding te volgen tot dramadocent aan de Academie voor Expressie
door Woord en Gebaar, later de Hogeschool voor de Kunsten in
Utrecht. Jean Couprie studeerde in 1988 als eerste aan deze school
af als dramadocent. Hoewel de academie trachtte om de dove studenten
zo goed mogelijk te begeleiden, onder andere door tolken in te
zetten, werd er op de academie geen dovencultuur overgedragen. De
studenten leerden niet hoe men dramales moet geven aan dove
kinderen, noch wat theater in gebarentaal is, zou kunnen of moeten
zijn. Men werd dus niet volledig opgeleid voor de beroepspraktijk
waar men uiteindelijk in terecht zou komen. De behoefte aan een
platform waar doven met elkaar van gedachten kunnen wisselen over
het fenomeen gebarentheater en dit verder kunnen ontwikkelen,
groeide.
In 1981 vond de eerste theaterweek voor dove kinderen plaats onder
leiding van Jean Couprie in samenwerking met de Volkshogeschool
Bakkeveen. Deze theaterweken hebben meer dan tien jaar dove kinderen
in aanraking gebracht met theater.
In 1987 richtte Jean Couprie kindertheater Klaproos op. In diezelfde
tijd ontstonden het Waterteater van John van Gelder en kindertheater
Wapper van Gert-Jan de Kleer en Marjanne Romkema.
In januari 1989 kwamen Jean Couprie, Wim Emmerik, John van Gelder,
Mieke Julien en Gert-Jan de Kleer bij elkaar in de Universiteit van
Amsterdam waar John van Gelder werkte als glasinstrumentmaker. Daar
werd de basis voor Handtheater gelegd, toen nog geen stichting maar
een collectief van dove acteurs.
Het internationale cultuurcongres The Deaf Way dat in juli 1989 in
Washington DC werd gehouden en dat werd bezocht door ruim
tienduizend mensen uit de hele wereld, was een enorme stimulans.
Alle dove (en horende) mensen die in Nederland actief waren op het
gebied van de podiumkunsten, bezochten samen dat congres. Ze legden
contacten met andere podiumkunstenaars over de hele wereld.
Teruggekomen in Amsterdam organiseerde de Stichting Welzijn Doven
Amsterdam (SWDA) samen met Handtheater het Internationaal
Gebarentheater Festival. Serrie Kamerling, coördinator van SWDA,
schreef in het programmaboekje van het festival een voorwoord dat
nog steeds actueel is:
- Volgens het beleid van de overheid zouden dove mensen ook
gebruik moeten kunnen maken van algemene voorzieningen, zoals de
theaters. Maar de theaters zijn zonder tolk ontoegankelijk voor
dove mensen. En met tolk is ‘horend’ theater meer een kwestie
van hard werken dan een avondje uit. Gebarentheater is daarop
een antwoord, omdat dove mensen daarvan wel kunnen genieten en
het specifieke van dovencultuur in gebarentheater bijzonder goed
tot zijn recht komt.
Voor horende mensen is het visuele van gebarentheater ook erg aantrekkelijk.
Voorwaarde is wel dat dove mensen de kans krijgen om gebarentheater te ontwikkelen. Daarvoor zijn voorzieningen nodig, zoals vorming en scholing, budgetten om eigen producties te maken en een eigen theater dat openstaat voor iedereen, doven en horenden. Serrie Kamerling, Amsterdam, 1989
Tijdens het Internationaal Gebarentheater Festival gaven
theatergroepen uit Engeland, België, Frankrijk, Spanje, Noorwegen,
de Verenigde Staten, Denemarken, Ierland en Nederland voorstellingen
in vier Amsterdamse theaters. Daarnaast waren er workshops, lezingen
en discussies.
Na de oprichting van Handtheater in mei 1990 werd er bij John van
Gelder thuis gerepeteerd en bij Mieke Julien thuis kantoorgehouden.
Handtheater maakte voorstellingen met projectsubsidies en kon
gebruikmaken van verschillende Amsterdamse theaterzalen, zoals de
Brakke Grond, De Balie, Speeltheater en PH 31. Er werden
voorstellingen gegeven die indruk maakten op doven en horenden,
zoals Poëzie in Spreek- en Gebarentaal met Neeltje Maria Min, Simon
Vinkenoog, Ernst van Altena en dove dichters, Wie is bang voor
Virginia Woolf, Het Koekoeksnest, Liedjes op het Leidseplein, De
Zwerver, Stoplicht, Vreemde Juffrouw Bok, tijdens de Europese
theatervoorleesdag, de Man, de Stad en het Boek en Rap in de
Nederlandse Gebarentaal.
Handtheater gaf niet alleen voorstellingen, maar organiseerde ook
theatercursussen en maakte educatieve materialen, zoals het eerste
gebarenboek voor kinderen Wapper, het gebarenkwartet en het
informatieve boek 101 vragen over doof zijn.
Vanaf 1995 ging John van Gelder in Amsterdam naarstig op zoek naar
een eigen theaterruimte. De zoektocht voerde langs onder andere
Pakhuis Wilhelmina en het Polanentheater. Uiteindelijk vond hij in
1996 ruimte op het voormalige terrein van het Gemeentelijk Vervoer
Bedrijf in Amsterdam Oud-West.
Het onderdelen- en kledingmagazijn,
en de kantine van het GVB knapte hij in een intensief jaar op tot
een aantrekkelijk theatertje met een tribune met 51 stoelen. Die
eigen ruimte maakte de verdere groei van Handtheater mogelijk.
Voor de periode 1993 tot en met 1996 vroeg Handtheater voor de
eerste maal structurele subsidie aan. Die aanvraag werd afgewezen,
onder andere omdat men vond dat het gezelschap nog in de
kinderschoenen stond.
In 2000 vroeg Handtheater voor de tweede maal structurele subsidie
aan. Het had enige voeten in de aarde, maar uiteindelijk werd die
subsidie toegekend door de stad Amsterdam en de ministeries van OCW
en VWS.
Helaas moest Handtheater het eigen theater verlaten. Opnieuw werd
naar een ruimte gezocht en die werd gevonden aan de De Wittenkade in
Amsterdam. Het voormalige gebouw van de Nederlands Hervormde Kerk
werd onder bezielende leiding van John van Gelder door een grote
groep voornamelijk dove vrijwillige vakmensen omgetoverd tot een
smaakvol en intiem theater, met een theaterzaal (96 stoelen), een
foyer, een kleedkamer, een vergaderzaal en een kantoor. In 2003 werd
het theater officieel geopend door de toenmalige Wethouder voor
Cultuur Hannah Belliot.
In 2004 vroeg Handtheater voor de derde maal subsidie aan. Opnieuw
ging dat niet van een leien dakje. Omdat beleidmakers, zoals
wethouders, staatssecretarissen en ministers, en politici, zoals
gemeenteraadsleden en kamerleden, nu eenmaal niet jarenlang hun
functie vervullen, moet het bijzondere verhaal van Handtheater
steeds opnieuw worden verteld. Handtheater is een vreemde eend in de
bijt. Ontstaan uit en geworteld in de dovengemeenschap wordt het
gezelschap telkens weer getypeerd als emancipatoir gezelschap.
Omdat de opleidingen voor de podiumkunsten niet toegankelijk zijn
voor doven, heeft Handtheater vanaf de oprichting geprobeerd dove
acteurs zelf een scholing aan te bieden. Dat betekende dat
Handtheater theaterprojecten organiseerde op de scholen voor doven,
cursussen en workshops gaf in het eigen theater en dove acteurs –
voorafgaand aan de repetitie- en speelperiode – een scholing
aanbood.
Die opleidingspoot drukt zwaar op de medewerkers omdat zij deze
naast het maken van voorstellingen moeten verzorgen. Vandaar dat
bestuur en medewerkers in mei 2006 de stichting Cultureel Centrum ’t
OOG hebben opgericht. Cultureel Centrum ’t OOG is een
opleidingsinstituut op het gebied van de podiumkunsten voor dove,
slechthorende en horende gebarentaalgebruikers. Ook wordt Handtheater
vaak benaderd door personen, instellingen en
organisaties die iets willen weten over of doen met gebarentaal en
(podium)kunst.
Handtheater vroeg voor de periode 2010 t/m 2012 structurele subsidie aan. En weer ging dat niet van een leien dakje. Uiteindelijk werd de subsidie toegekend door het Fonds voor Cultuurparticipatie en de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (DMO) van de gemeente Amsterdam.
Handtheater moest het
eigen theater in 2010 verlaten en houdt nu kantoor op de
Zeeburgerdijk in Amsterdam. Er worden nu gesprekken gevoerd met de
Stichting Welzijn Doven Amsterdam (SWDA) en het Doven Ontmoetings
Centrum (DOC) aan de Stadhouderskade in Amsterdam over samenwerking.
Een van de eerste gezamenlijke projecten is het verbouwen van de
Stadhouderszaal in het DOC tot een volwaardige theaterzaal.
Handtheater stelt de eigen theaterinrichting daarvoor ter
beschikking, zoals de theatertribune, theaterlampen, mengtafels,
kabels en balletvloer. Als de zaal klaar is, begint Handtheater met
frisse moed aan het organiseren van het Open Podium. We zijn heel
enthousiast over de samenwerking met SWDA en DOC. Die gaat zeker
leiden tot een kruisbestuiving en een nieuwe impuls voor alle
betrokkenen.
